Bancaire lijfrente in huwelijksgoederengemeenschap en wettelijk erfrecht. Gevolgen voor erfbelasting

29 augustus 2019

Bij een verzekerde lijfrente volgt uit de begunstiging op de polis wie recht heeft op een lijfrente bij overlijden. De begunstigde verkrijgt dan niet krachtens erfrecht, ofschoon voor de toepassing van de successiewet sprake is van een fictief-erfrechtelijke verkrijging. Bij een bancaire lijfrente werkt dit heel anders.

Neem bijvoorbeeld de volgende situatie. Een rekeninghouder van een bancaire lijfrente – gehuwd in algemene gemeenschap van goederen – overlijdt. Er is geen testament. Voordat de omvang van de nalatenschap en de verdeling daarvan kan worden vastgesteld vindt eerst verdeling van het gemeenschappelijke vermogen plaats. Een bancaire lijfrente, die onderdeel uitmaakt van de huwelijkse gemeenschap, kan in dit kader zowel aan de overleden partner worden toebedeeld als aan de langstlevende partner. Bij toebedeling aan de overleden partner valt de lijfrente in diens nalatenschap terwijl bij toebedeling aan de langstlevende partner dit niet het geval is. Deze toedeling heeft echter geen invloed op de erfbelasting. De bancaire lijfrente bevat te doen gebruikelijk geen derdenbeding. Daardoor is, op het moment van overlijden, deze bankrekening onderdeel gebleven van de huwelijksgemeenschap en daarmee ook gedeeltelijk van de nalatenschap.

De erfbelasting is een tijdstipbelasting. Handelingen ná het overlijden hebben dan geen invloed meer op de berekening van de erfbelasting (tenzij de wet anders bepaalt).

David Bakker

Wilt u op de hoogte blijven? Schrijf u dan hieronder in voor de nieuwsbrief.

Print Friendly, PDF & Email

Aanmelden nieuwsbrief

* indicates required