Art. 13a SW belast stijging commerciële waarde aandelen. Die stijging is niet gelijk aan de fiscale vrijval van de pensioenverplichting

Art. 13a  SW belast stijging commerciële waarde aandelen. Die stijging is niet gelijk aan de fiscale vrijval van de pensioenverplichting
24 april 2019

Art. 13a Successiewet 1956 beoogt elke waardestijging van de aandelen, ten gevolge van iemands overlijden, te belasten met erfbelasting bij degene die behoort tot de volgende groep van (aanmerkelijkbelang)aandeelhouders: de partner van de overleden persoon en zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun partners. Onder waardestijging dient de stijging van de commerciële waarde van de aandelen te worden verstaan. In de praktijk komt het voor dat de waardestijging gelijk wordt gesteld aan de vrijval van (bijv.) de fiscale pensioenverplichting. Dit levert aanzienlijke verschillen in uitkomsten op. [Lees meer…]

Vrijval lijfrenteverplichting bij overlijden leidt tot erfbelasting. Hoge Raad doet logische uitspraak

Vrijval lijfrenteverplichting bij overlijden leidt tot erfbelasting. Hoge Raad doet logische uitspraak
7 maart 2019
Vrijval lijfrenteverplichting in BV zoon bij overlijden moeder leidt tot erfbelasting o.g.v. art. 13a Successiewet 1956.

David-Bakker-Pensioen-vrijval-erfbelasting

Art. 13a Successiewet 1956 beoogt elke waardestijging van de aandelen, ten gevolge van iemands overlijden, te belasten met erfbelasting bij degene die behoort tot de volgende groep van (aanmerkelijkbelang)aandeelhouders: de partner van de overleden persoon en zijn bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad of hun partners. In casus ontvangt een moeder lijfrente-uitkeringen van de BV van haar zoon. De moeder blijkt in mei 2015 ongeneeslijk ziek te zijn en komt in juli 2015 te overlijden waardoor de lijfrenteverplichting van de BV vrijvalt en de aandelen met ca. € 220.000 in waarde stijgen. De inspecteur belast de waardestijging o.g.v. art. 13a met erfbelasting bij de zoon. De zoon brengt hier tegenin dat de waardestijging al heeft plaatsgevonden bij de diagnose ‘ongeneeslijk ziek’ in mei 2015 waardoor de waardestijging door het overlijden in juli 2015 verwaarloosbaar was. De Hoge Raad gaat echter niet mee in deze redenering. [Lees meer…]