Pensioenakkoord: iedereen een beschikbarepremieregeling

18 juni 2019


Op 5 juni  kwamen kabinet en sociale partners het PrincipePensioenakkoord  2019 overeen. Nu de FNV op 15 juni jl. heeft ingestemd is het Pensioenakkoord definitief. De belangrijkste punten zijn dat de AOW-leeftijd de komende jaren niet zo snel zal stijgen en dat vanaf 2022 (?) iedere werknemer pensioen gaat opbouwen in een beschikbarepremieregeling met een leeftijdsonafhankelijke premie. Hieronder vatten wij het akkoord kort samen.

AOW-leeftijd
De AOW-leeftijd stijgt de komende jaren minder snel en de huidige één-op-één koppeling met de stijging van de levensverwachting (1 jaar langer leven = 1 jaar later met AOW) wordt vanaf 2025 een gedeeltelijke koppeling (1 jaar langer leven = 8 maanden later met AOW).

Jaar AOW-leeftijd volgens huidige wetgeving AOW-leeftijd volgens Pensioenakkoord
2019 66 jaar en 4 maanden 66 jaar en 4 maanden
2020 66 jaar en 8 maanden 66 jaar en 4 maanden
2021 67 jaar 66 jaar en 4 maanden
2022 67 jaar en 3 maanden 66 jaar en 7 maanden
2023 67 jaar en 3 maanden 66 jaar en 10 maanden
2024 67 jaar en 3 maanden 67 jaar
2025 e.v. 1 jaar stijging levensverwachting = 1 jaar later AOW 1 jaar stijging levensverwachting = 8 maanden later AOW


Fiscale pensioenrichtleeftijd
Ook de fiscale pensioenrichtleeftijd – thans 68 jaar – zal de komende jaren minder hard stijgen en net als bij de AOW nog maar gedeeltelijk worden gekoppeld aan de levensverwachting (1 jaar langer leven = 8 maanden later met pensioen).

Het nieuwe pensioencontract: iedereen een beschikbarepremieregeling
Iedere werknemer bouwt vanaf 2022 (?) pensioen op in een beschikbarepremieregeling met een leeftijdsonafhankelijke premie (d.w.z. een gelijkblijvend percentage van de pensioengrondslag). Daarbij heeft de werkgever of pensioenfonds de keuze tussen 2 varianten: een regeling waarin de premie in een persoonlijke pensioenpot wordt gestopt (contract met beperkte risicodeling) of een regeling waarin van de premie gelijk een pensioenaanspraak wordt ingekocht (contract met uitgebreide risicodeling). Dit betekent dat de systematiek van doorsneepremies (bij pensioenfondsen) wordt afgeschaft.

Het nieuwe pensioencontract brengt uiteraard de nodige overgangsproblematiek met zich mee. De insteek is dat bestaande rechten naar de nieuwe regeling worden overgedragen. Omdat het pensioenperspectief van werknemers kan verslechteren geeft het kabinet aan tijdelijk de fiscale ruimte te vergroten om compensatie mogelijk te maken.

Beperking pensioenkortingen i.v.m. dekkingsgraden
In het voorgestelde nieuwe pensioencontract wordt een dekkingsgraad van 100% als basis genomen. Voor pensioenfondsen, die in de komende jaren in het huidige pensioenstelsel een onvoorwaardelijke korting moeten doorvoeren, omdat hun dekkingsgraad gedurende 5 achtereenvolgende jaren lager is dan het Minimaal Vereist Eigen Vermogen (circa 105%), wordt een tijdelijke maatregel getroffen. Deze fondsen hoeven geen onvoorwaardelijke korting door te voeren, indien de dekkingsgraad hoger is dan 100%. Fondsen die aan het eind van het vijfde jaar een dekkingsgraad lager dan 100% hebben, zullen wel een onvoorwaardelijke korting moeten doorvoeren, zodanig dat de dekkingsgraad weer op 100% uitkomt.

Duidelijker nabestaandenpensioen
Het nabestaandenpensioen moet meer standaard, begrijpelijker en minder risicovol worden.

Gedeeltelijke afkoop van pensioen op pensioendatum mogelijk
Het wordt mogelijk om op pensioendatum 10% van het gespaarde pensioenkapitaal op te nemen. Voor lijfrenten gaat hetzelfde gelden.

Vrijstelling van de RVU-heffing
Werkgevers krijgen – vanaf 2021 voor een periode van 5 jaar – de mogelijkheid om in sectoren en ondernemingen uittredingsregelingen te financieren waarmee werknemers de mogelijkheid krijgen om drie jaar voor AOW-leeftijd te stoppen met werken. Het kabinet zal een (bruto) uitkeringsbedrag van ongeveer 19.000 euro per volledig jaar vrijstellen van de RVU-heffing; gaat de uitkering minder dan 3 jaar voor AOW-leeftijd in, dan wordt het heffingsvrije bedrag naar rato aangepast. Een kortere periode betekent dus een naar rato lager bedrag dat heffingsvrij is. Voor uitkeringen voor vervroegde uittreding die meer dan 3 jaar voor de AOW-leeftijd ingaan of uitgaan boven het bedrag dat is vrijgesteld, wordt slechts RVU-heffing geheven over het meerdere. Het bedrag sluit – rekening houdend met verschuldigde belasting en premies voor de volksverzekeringen – aan bij de netto AOW voor alleenstaanden.

ZZP’ers
Het moet voor ZZP’ers makkelijker te worden om zich vrijwillig aan te sluiten bij een pensioenregeling in de sector waar ze werkzaam zijn. Daarnaast komt er een verzekeringsplicht tegen arbeidsongeschiktheid voor ZZP’ers. De verzekeringsplicht moet betaalbaar en voor iedereen toegankelijk zijn. Wellicht komen er uitzonderingen op de verzekeringsplicht.

David Bakker

Wilt u op de hoogte blijven? Schrijf u dan hieronder in voor de nieuwsbrief.

Print Friendly, PDF & Email

Aanmelden nieuwsbrief

* indicates required