Oprenting ODV. Klopt standpunt fiscus eigenlijk wel?

Oprenting ODV. Klopt standpunt fiscus eigenlijk wel?
10 april 2019 (update 24 april 2019)

Oprenting ODV
De ODV dient jaarlijks te worden opgerent met het gemiddelde u-rendement van het jaar daarvoor. In V&A 17-027 (zie blog) stelt het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) het volgende: wanneer de oprentingsperiode in twee kalenderjaren valt, wordt het oprentingspercentage bepaald op het gewogen gemiddelde van de u-rendementen voor de betreffende kalenderjaren. Bij oprenting op bijv. 1 juli 2019 moet een gemiddeld u-rendement worden berekend o.b.v. de u-rendementen van 2017 (m.b.t. de periode van 1-7-2018 t/m 31-12-2018) en 2018 (m.b.t. de periode van 1-1-2019 tot 1-7-2019). Klopt dit wel?

Wat staat er in de wet?
Art. 38p lid 1 Wet LB 1964 bepaalt: 

“Een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in artikel 38n, tweede lid, onderdeel b, wordt jaarlijks verhoogd met een bij ministeriële regeling bepaalde marktrente….”. 

Art. 12.3a Uitv.reg. LB 2011 bepaalt vervolgens:

De marktrente, bedoeld in artikel 38p, eerste lid, van de wet, die vanaf 1 januari van een kalenderjaar gedurende dat kalenderjaar van toepassing is, is het rekenkundig gemiddelde van de U-rendementen over de maanden van het voorafgaande kalenderjaar zoals deze maandelijks zijn gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringstatistiek van het Verbond van Verzekeraars. In 2019 is deze marktrente 0,269%.”

Op basis van deze bepalingen kan ik niet anders concluderen dan dat gedurende het hele kalenderjaar hetzelfde oprentingspercentage moet worden gehanteerd, te weten het gemiddelde u-rendement van het jaar daarvoor. Dus oprenting per 1 juli 2019 dient te geschieden met 0,269% (= gemiddeld u-rendement 2018). En niet met 0,1645% (1/2 x 0,06% gemiddeld u-rendement 2017 + 1/2 0,269%).

David Bakker

Wilt u op de hoogte blijven? Schrijf u dan hieronder in voor de nieuwsbrief.

Print Friendly, PDF & Email

Aanmelden nieuwsbrief

* indicates required