Verplichte afrekening saldolijfrente eigen beheer 31-12-2020 niet afwachten. Prijsgeven in 2019 kan fiscaal voordelig zijn

3 december 2019



Over het in een saldolijfrente (in eigen beheer) aanwezige rendement wordt eind 2020 verplicht afgerekend. Op verzoek geldt een bijzonder tarief van 45%. Het is echter niet verstandig om die verplichte afrekening af te wachten. In sommige gevallen kan het zelfs verstandig zijn om de saldolijfrente deels af te kopen en voor het overige deel prijs te geven. Dit prijsgeven zou gedeeltelijk al in 2019 kunnen plaatsvinden. Zo wordt voorkomen dat in 2020 een deel van de winst, veroorzaakt door de vrijval die het prijsgeven te weeg brengt, in de tweede VPB-tarief schijf terecht komt (25%).

De saldolijfrente. Hoe zat het ook al weer?

De saldolijfrente was een lijfrente waarvoor de premies of de éénmalige koopsom fiscaal niet aftrekbaar waren. Zodra het bedrag aan verrichte uitkeringen de gestorte bedragen bereikte werd het overschot aan uitkeringen volgens de Wet IB 1964 volledig in de belastingheffing betrokken. Met de invoering van de Wet IB 2001 bestaat deze systematiek niet meer. Bij verzekeraars ondergebrachte saldolijfrenten verhuisden naar box 3, en de saldolijfrente in eigen beheer naar box 1 en valt daar thans onder het regime van art. 3.92 Wet IB 2001 (belastbaar resultaat uit overige werkzaamheden). Voor saldolijfrentes die vóór 14 september 1999 bij de eigen BV zijn afgesloten gold een keuze voor het overgangsrecht (zie de artikelen O, P en Q van de Invoeringswet Wet IB 2001): afrekenen of op de oude voet doorgaan tot uiterlijk 2021.

Ultimo 2000 afrekenen
Deze optie hield in dat men kon afrekenen over het per ultimo 2000 in de saldolijfrente aanwezige rendement tegen – op verzoek – een bijzonder tarief van 45% waarna vanaf 2001 de saldolijfrente onder het regime van art. 3.92 kwam te vallen.

Op de oude voet doorgaan tot uiterlijk 2021
Het was ook mogelijk om de saldolijfrente op de oude voet door te laten lopen o.b.v. de saldomethode. Het overschot wordt dan belast o.g.v. art. 3.100 Wet IB 2001 (belastbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen). Deze mogelijkheid bestaat tot uiterlijk 31 december 2020, waarna afrekening plaatsvindt over het dan aanwezige rendement. Op verzoek is dan een bijzonder tarief van 45% van toepassing. Vervolgens valt de lijfrente eveneens in box 1 onder het regime van art. 3.92 Wet IB 2001.

Voorbeeld
Kees heeft respectievelijk in 1997 (1) en 1998 (2) een saldolijfrente bij zijn BV gesloten en daartoe beide malen een koopsom van € 100.000 gestort bij zijn BV. Kees heeft ultimo 2000 niet afgerekend. De koopsommen worden contractueel met 4% opgerent en in 2025 wordt het opgerente kapitaal omgezet in een lijfrente-uitkering zo was de oorspronkelijke bedoeling. Eind 2018 is het opgerente kapitaal van saldolijfrente 1 en 2 respectievelijk € 236.992 en € 227.877 en per ultimo 2019 € 246.472 en € 236.992.

Afrekening per ultimo 2020
Eind 2020 is het opgerente kapitaal van saldolijfrente 1 en 2 respectievelijk € 256.330 en € 246.472. Het aanwezige rendement in saldolijfrente 1 en 2 is dan achtereenvolgens € 156.330 (€ 256.330 -/- € 100.000 gestorte koopsom) en € 146.472 (€ 246.472 -/- € 100.000 gestorte koopsom), totaal € 302.802 derhalve. Bij toepassing van het bijzondere tarief van 45% leidt de verplichte afrekening er toe dat er € 136.261 (€ 302.802 x 45%) aan inkomstenbelasting is verschuldigd.

Alternatief
I.p.v. verplicht afrekenen kan Kees er voor kiezen om in 2019 saldolijfrente 1 gedeeltelijk af te kopen en voor het overige gedeelte prijs te geven. Het bedrag aan gedeeltelijke afkoop kan op € 100.000 worden gesteld. Dit bedrag is geheel belastingvrij omdat het gelijk is aan het bedrag dat destijds is gestort. Immers, bij een saldolijfrente vindt pas heffing plaats als de uitkeringen de gestorte bedragen overschrijden.

Het prijsgeven van het resterende gedeelte van de saldolijfrente leidt tot een vrijval in de winst in 2019 van € 136.992 (€ 236.992 waardering eind 2018 -/- € 100.000 afkoop). Als er sprake is van compensabele verliezen kunnen die mooi verrekend worden. Wellicht is het interessant om iets minder prijs te geven en nog een extra bedrag, bovenop het bedrag van € 100.000, af te kopen. Dit bedrag is dan wel belast. Maar als het marginale belastingtarief (incl. premie ZVW) lager is dan het gecombineerde VPB(19%)/AB-tarief(25%) van 39,25% kan dit aantrekkelijk zijn.  

In 2020 kan Kees vervolgens saldolijfrente 2 afkopen. Het (belastingvrije) bedrag aan gedeeltelijke afkoop kan ook hier op € 100.000 worden gesteld (het bedrag aan gestorte koopsom). Het prijsgeven van het resterende gedeelte van de saldolijfrente leidt tot een vrijval in de winst in 2020 van € 136.992 (€ 236.992 waardering eind 2019 -/- € 100.000 afkoop). Ook hier geldt dat – afhankelijk van de fiscale inkomenspositie van Kees – het interessant kan zijn om iets minder prijs te geven en nog een extra bedrag, bovenop het bedrag van € 100.000, af te kopen. Dit kan aantrekkelijk zijn als het marginale belastingtarief (incl. premie ZVW) lager is dan het gecombineerde VPB(16,5%)/AB-tarief(26,25%) van 38,63% in 2020.

Sancties?
Van belang is dat er formeel geen goedkeuring van de fiscus nodig is om af te kopen of prijs te geven. In tegenstelling tot pensioenaanspraken heeft de fiscus geen wettelijke correctie- of sanctiemogelijkheden. De belastingdienst kan bijvoorbeeld niet over een hoger bedrag dan de feitelijke genoten uitkeringen belasting heffen (voor zover die uitkeringen de gestorte bedragen overtreffen). Ook in de winstsfeer (VPB) heeft de fiscus geen aangrijpingspunten voor correcties.

Ten slotte
Het per ultimo 2020 verplicht afrekenen van saldolijfrenten tegen een bijzonder tarief van 45% lijkt fiscaal gezien niet de beste optie.

Voor alle duidelijkheid merk ik op dat het bovenstaande alleen ziet op de zuivere saldolijfrente in eigen beheer. Dit ter onderscheid van de zogeheten hybride saldolijfrenten. Dit zijn lijfrenten, afgesloten bij professionele verzekeraars, waarvan de premies deels wel en deels niet in aftrek konden worden gebracht. In het Belastingplan 2020 wordt het overgangsrecht voor hybride saldolijfrenten gewijzigd (zie o.a. TK 2019-2020, 35 302, nr. 3, blz. 8-10).  De wijziging houdt in dat de verplichte afrekening komt te vervallen omdat deze in de praktijk te lastig is om uit te voeren.

David Bakker

Wilt u op de hoogte blijven? Schrijf u dan hieronder in voor de nieuwsbrief.

Print Friendly, PDF & Email

Aanmelden nieuwsbrief

* indicates required