Vraag aan Belastingdienst over oprenting ODV

14 januari 2020


Vandaag 14 januari 2020 stelde ik een vraag aan het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst inzake de oprenting van een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV). Hieronder treft u de vraag en de onderbouwing aan. De reden om deze vraag te stellen is dat de oprenting kan worden vereenvoudigd als met 1 oprentingspercentage (gemiddeld u-rendement van het vorige kalenderjaar) kan worden gerekend. Er hoeft dan niet meer te worden gemiddeld. Nu wachten op het antwoord.

Vraag
Is het toegestaan om de aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting (ODV) volgens de letter van de wet te verhogen, d.w.z. dat op elke in een kalenderjaar gelegen oprentingsdatum de ODV wordt verhoogd met het rekenkundig gemiddelde van de U-rendementen over de maanden van het voorafgaande kalenderjaar zoals deze maandelijks zijn gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringstatistiek van het Verbond van Verzekeraars?

Onderbouwing
Art. 38p lid 1 Wet LB 1964 bepaalt:

“Een aanspraak ingevolge een oudedagsverplichting als bedoeld in artikel 38n, tweede lid, onderdeel b, wordt jaarlijks verhoogd met een bij ministeriële regeling bepaalde marktrente….”. 

Art. 12.3a Uitv.reg. LB 2011 bepaalt vervolgens:

De marktrente, bedoeld in artikel 38p, eerste lid, van de wet, die vanaf 1 januari van een kalenderjaar gedurende dat kalenderjaar van toepassing is, is het rekenkundig gemiddelde van de U-rendementen over de maanden van het voorafgaande kalenderjaar zoals deze maandelijks zijn gepubliceerd door het Centrum voor Verzekeringstatistiek van het Verbond van Verzekeraars.”

Op basis van deze bepalingen kan ik niet anders concluderen dan dat gedurende het hele kalenderjaar hetzelfde oprentingspercentage moet worden gehanteerd, te weten het gemiddelde u-rendement van het jaar daarvoor.

Het CAP stelt zich echter in V&A 17-027 op het volgende standpunt: “Wanneer de oprentingsperiode in twee kalenderjaren valt, wordt het oprentingspercentage bepaald op het gewogen gemiddelde van de percentages in de URLB voor de betreffende kalenderjaren (zie de brief van de Staatssecretaris van Financiën van 3 november 2016 met antwoorden op tijdens het wetgevingsoverleg van 31 oktober 2016 gestelde vragen, kamerstukken 34 552, nr. 19, p. 43)”.

Dit standpunt is naar mijn bescheiden mening gebaseerd op een door de Staatssecretaris van Financiën gegeven antwoord op een verkeerd geformuleerde vraag. De vraag en het antwoord luiden als volgt:

“Het RB vraagt of lichamen met een gebroken boekjaar voor de oprenting van de oudedagsverplichting gebruik mogen maken van het gemiddelde U-rendement van het voorafgaande kalenderjaar of dat deze lichamen een gewogen gemiddelde moeten hanteren. Vennootschappen met een gebroken boekjaar moeten voor de oprenting van de oudedagsverplichting uitgaan van een gewogen gemiddelde van de marktrente die voor de betreffende kalenderjaren voor de oprenting van de oudedagsverplichting geldt. Indien een vennootschap bijvoorbeeld een boekjaar heeft dat loopt van 1 april 2017 tot 1 april 2018, dan past deze vennootschap over een deel van het boekjaar, namelijk voor de periode van 1 april tot en met 31 december 2017, het percentage toe dat voor 2017 geldt, en over de periode 1 januari tot en met 31 maart 2018, het percentage dat voor 2018 bekend wordt gemaakt.”

Deze passage roept vragen op. Wat heeft het feit dat sprake is van een gebroken boekjaar (winstsfeer) te maken met de wijze waarop een bepaling in de loonbelasting moet worden geïnterpreteerd? En geldt het antwoord alleen in de situatie dat sprake is van een gebroken boekjaar?

David Bakker

Wilt u op de hoogte blijven? Schrijf u dan hieronder in voor de nieuwsbrief.

Print Friendly, PDF & Email

Aanmelden nieuwsbrief

* indicates required